De transformatie van het WG terrein, deel I

Cité Medicale, Christiania of ‘tweedehands planologie’

In de gesprekken die ik in de afgelopen maanden met Poortgebouwbewoners voerde kwamen regelmatig ‘Buitenpoorters’ voorbij die een belangrijke rol hebben gespeeld in de strijd om het WG terrein. Ted had pittige gesprekken met wethouders en ambtenaren, Margreet, Bart en Pieter werkten samen met het Bouwfonds, Hans ging aan de slag met het wijkopbouworgaan, Mechtild had veel contacten in de buurt en Annette begaf zich tussen de krakers. Een bont gezelschap van ambtenaren, activisten, buurtbewoners met uiteenlopende meningen over de toekomst van het WG terrein en het Poortgebouw was daar een deel van.

De diverse groeperingen hadden verschillende kanalen om hun ideeën kenbaar te maken. In de buurt werden kranten, folders en affiches op schrijfmachines getypt, in elkaar geplakt en vervolgens gestencild of gedrukt. Tegelijkertijd werden in het gemeentehuis vele nota’s en verslagen geproduceerd die langs ambtenaren en commissies naar  B&W werden geleid om uiteindelijk in raadsbesluiten te worden vastgelegd. Alle partijen hebben van alles en nog wat op papier gezet, maar niet alles is gearchiveerd. Veel is inmiddels in de kieren van de tijd verdwenen of wordt in dozen op zolders bewaard. Het bestuurlijke traject is goed gearchiveerd en met het nodige geduld kun je het spoor van de besluitvorming rond het WG terrein en het Poortgebouw terug volgen in het Stadsarchief. Om de niet-ambtelijke documenten te vinden vergt flink wat doorzettingsvermogen. Praten met betrokkenen van verschillende pluimage helpt ook en vaak komen er dan al pratend pamfletten, aantekeningen en schetsjes op tafel.

Om te beginnen heb ik met twee projectleiders van de gemeente gesproken: Kees van Ruyven van 1981 tot 1985 leider van de Ambtelijke Werkgroep WG Terrein en zijn opvolger, Robert Dijckmeester, die tot 1990 die functie bekleedde.

Het Wilhelmina Gasthuisterrein is één van de vele voorbeelden van het herbestemmen en herinrichten van leegkomende gebouwencomplexen in Amsterdam. Deze vorm van ‘tweedehands planologie’ levert een substantiële bijdrage aan het realiseren van de filosofie van de compacte stad. Toch is de politieke, bestuurlijke en ambtelijke aandacht voor deze planologische activiteit niet in overeenstemming met het belang daarvan. Want meer dan alléén voor woningbouw bieden dit soort terreinen ruimte voor tal van functies die voor de hele stad van belang zijn. Stadsvernieuwing en aanvullende woningbouw lijken meer op de voorgrond te staan. De praktijk wordt dan ook vaak gekenmerkt door een ad hoc aanpak van herbestemmingen, een aanpak waar het ambtelijke beheermanagement nog moeilijk raad mee weet.

Dit schrijft Van Ruyven aan het einde van zijn projectleiderschap in een publicatie van de Dienst Ruimtelijke Ordening met de titel Een ziekenhuis om in te wonen, te werken en te studeren. Hij zet helder uiteen wat de stand van zaken is en geeft het stokje over aan Dijckmeester, die opdracht krijgt om het plan, dat in 1984 door de werkgroep is opgesteld, uit te voeren. Dat valt in de praktijk nog niet mee want het plan bestaat uit deelprojecten die stuk voor stuk nog niet zijn uitgekristalliseerd en waarover betrokken partijen het niet eens zijn. Ondertussen dringt de tijd want de ziekenhuisgebouwen zijn een jaar eerder verlaten en door leegstand verkommert het complex. Krakers staan in de startblokken, gas, elektriciteit, water zijn afgesloten, delen van de interieurs zijn uit paviljoens gesloopt en verhandeld of opgestookt. Sommige bestuurders vrezen voor een Amsterdams Christiania. Zij zien niets in de navolging van het sociale experiment dat zich in de jaren zeventig in Kopenhagen heeft ontwikkeld. Anderen zullen het wellicht als een lonkend perspectief hebben beschouwd, een transformatie van het voormalige omheinde ziekenhuisterrein naar een groene vrijplaats middenin Amsterdam. Zo ver is het niet gekomen maar de open structuur van de paviljoens, de vele volgroeide bomen, het ontbreken van autoverkeer, vormen wel het uitgangspunt voor de transformatie van het WG terrein. Met behulp van herbestemming, wat Van Ruyven ‘tweedehands planologie’ noemt, zal het gebied met de eeuwenoude medische geschiedenis nieuwe functies en een nieuw gezicht krijgen.

Dat betekent een veel verdergaande verandering dan wat in de plannen van Rijk, Provincie en stad tot dan toe is verkondigd. De overheid heeft de plannen voor een modern academisch ziekenhuis, een Cité Medicale, lange tijd op het WG terrein geprojecteerd. Het ontwerp van stadsbouwmeester Van Leupen toont hoe men daar in de naoorlogse jaren over dacht. Zijn tekeningen en maquette maken het voorstelbaar dat waar wij nu wonen een gebouwencomplex had kunnen verrijzen dat qua uiterlijk te vergelijken is met het AMC.

De plannen voor een modern academisch ziekenhuis zijn uiteindelijk  niet in Oud West maar in Zuid Oost gerealiseerd. Alleen het Jan Swammerdam Instituut aan de Eerste Constantijn Huygensstraat is tussen 1961 en 1964 gebouwd. De voortschrijdende woningnood, de wijzigingen in het stadsvernieuwingsbeleid plus de veranderende opvattingen over ziekenhuisbouw leiden echter tot de conclusie dat het WG terrein en de Kinkerbuurt niet geschikt zijn voor een groot ziekenhuiscomplex. Halverwege de jaren zestig start de bouw van het AMC. Als functie voor het vrijkomende terrein in West wordt in het bestemmingsplan van 1973 alleen gezondheidszorg genoemd, maar het duurt lang voordat er serieuze plannen worden gemaakt. Pas in 1980 wordt de eerste ambtelijke werkgroep benoemd door de wethouder van Volksgezondheid, Tineke van Klinkenberg. (Op de foto hieronder is Van Klinkenberg afgebeeld naast burgemeester Van Thijn, op de foto daaronder Jan Schaefer.)

010003043292, 11-11-2005, 09:17, 8C, 5018×3396 (572+2264), 100%, AMS_nogietszac, 1/120 s, R41.6, G21.9, B26.1


  

Terrein en gebouwen worden onderzocht op geschiktheid voor gezondheidszorgfuncties, maar er wordt ook geïnventariseerd wat eventuele mogelijkheden zijn voor wonen en buurtvoorzieningen. Een tweede ambtelijke werkgroep, dit keer onder leiding van de Dienst Ruimtelijke Ordening, schrijft een nota van uitgangspunten en die wordt eind 1982 door de raad vastgesteld. Jan Schaefer is dan de verantwoordelijke wethouder, een verschuiving van volksgezondheid richting volkshuisvesting tekent zich af. Voorjaar 1984 begint een op uitvoering en beheer gerichte fase onder leiding van het Grondbedrijf en er wordt geld uit het stadsvernieuwingsfonds gereserveerd.

Ondertussen speelt ook de kwestie van de eigendomsoverdracht, door Van Ruyven een slopende kwestie genoemd. De gemeente heeft het complex in 1973 voor 2,9 miljoen gulden aan de UVA afgestoten, dat wil zeggen aan het ministerie van O&W. Nog geen tien jaar later worden het terrein en de gebouwen getaxeerd op 82 miljoen, een onbetaalbare prijs voor de gemeente die een bod doet van 13 miljoen gulden. Dit leidt tot een patstelling in het overleg tussen de gemeente en het ministerie en er wordt besloten de knoop te laten doorhakken door een externe deskundige. Met de hakken over de sloot gaan de partijen eind 1983 partijen akkoord met de door de externe deskundige geadviseerde verwervingsprijs van 15 miljoen gulden, dat is ongeveer op het moment dat de laatste verhuiswagens van west naar zuidoost rijden. De gemeente wordt verantwoordelijk voor de toekomst van het terrein, maar ook voor het praktische beheer en dat is geen geringe taak gezien de ravage die is ontstaan tijdens en na de verhuizing van het ziekenhuis.

Van Ruyven maakt met de werkgroep in 1984 concrete plannen. Stadsvernieuwing en woningbouw worden belangrijker en buurtbewoners raken steeds meer betrokken. Dat maakt het proces ingewikkelder maar het is ook een creatieve uitdaging. De verschillende – soms zeer ludieke – ideeën over herbestemming zijn onderwerp van veel discussies tussen de verschillende partijen en  het ambtelijke apparaat weet er moeilijk raad mee. Een tot de verbeelding sprekend voorbeeld is het Ketelhuis, de energiecentrale van het voormalige ziekenhuis, een markant gebouw maar inmiddels buiten functie. Vanuit het Wijkopbouworgaan wordt geopperd dat je er een zwembad in kan huisvesten. Wat had ik daar graag gezwommen … maar helaas mag het niet zo zijn, in 1985 wordt het Ketelhuis gesloopt om ruimte te maken voor woningen en een voorziening ten behoeve van de geestelijke gezondheidszorg. Het beeld van de vallende toren siert het omslag van het uitvoeringsplan van de Ambtelijke Werkgroep, waarover later meer.

Volgende keer vervolg ik het verhaal over de transformatie van het WG terrein op basis van de gesprekken met Kees van Ruyven en Robert Dijckmeester.

This entry was posted in Alle berichten, WGeschiedenis. Bookmark the permalink.

Leave a Reply